Schuldbelijdenis: Een Sacrement, Dat Heelt

This is a Dutch translation of a booklet I wrote several years ago for Conciliar Press.

Door: Jim Forest

Vertaald door Enja. M.J.S. Katsoulis-Jansen

Een jonge monnik zei tegen de grote Abba Sisoes: “ Vader wat moet ik doen? Ik ben gevallen.” De oudere zei: “ Sta op!” “Ik ben opgestaan, en toen ben in weer gevallen”, zei de jonge monnik. De oudere antwoordde “ Sta weer op!” Toen vroeg de jonge monnik: “ Voor hoelang moet ik opstaan als ik gevallen ben?” “ Tot je dood aantoe!” antwoorde Abba Sisoes. (Gezegden van de Woestijnvaders)

“Toen ik naar mijn eerste biecht ging,” vertelde een vriend tegen me, “ kwamen de tranen in plaats van de zonden, die ik van plan was op te biechten. De priester zei, dat het niet nodig was om alles uit te spinnen en dat het alleen maar ijdelheid is om te denken, dat onze eigen zonden erger zijn, dan die van de anderen. Iets wat trouwens een opluchting voor me was, omdat het me niet mogelijk was om alle zonden van mijn dertigjarige leven te herinneren. Het deed me denken aan de manier waarop de vader zijn verloren zoon ontving – hij liet zijn zoon niet eens zijn nauwkeurig voorbereide speech uitspreken. Het is werkelijk verwonderlijk.”

Een andere vriend vertelde me, dat hij zo zenuwachtig was over alles wat hij te belijden had, dat hij besloot om het op te schrijven. “ Dus maakte ik een lijst van mijn zonden en nam die mee. De priester zag het papier in mijn hand, nam het me af, keek het in, verscheurde het en gaf het aan me terug. Toen zei hij:”Kniel neer.” En hij vergaf me. Dat was mijn schuldbelijdenis, mijn biecht, hoewel ik geen enkel woord gezegd had! Maar ik voelde toch, dat mijn zonden verscheurd waren en ik vrij van ze was.”

Alleen al het woord “biecht” maakt ons zenuwachtig, omdat het alles wat diep in onszelf is, onthult. Hebben we vrienden bedrogen, mensen verraden, verbroken beloften, geloof verloochend – dit en nog veel meer kleinere daden, die het begin van zonden zijn.

Biecht is pijnlijk, toch is een Christelijk leven zonder schuldbelijdenis, zonder biecht, onmogelijk

Biechten is een belangrijk punt in het Evangelie. Zelfs vóór Christus Zijn werk hier op aarde begon, lezen we in het Evangelie van Matthéüs, dat Johannes de Doper, van degenen, die naar de rivier de Jordaan kwamen om gedoopt te worden voor een symbolisch afwassen van hun zonden, verlangde eerst hun zonden te belijden. ” En ze werden gedoopt, nadat ze hun zonden beleden hadden.” (Matt. 3:6.)

Dan zijn er ook de verbazingwekkende woorden van Christus tegen Petrus:” Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der Hemelen, en wat gij op aarde binden zult, zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal ontbonden zijn in de hemelen.” (Matth. 16:19).

De sleutels, die binden en ontbinden kunnen, werden niet aan een apostel gegeven, maar aan alle discipelen van Christus, en – op een sacrementele manier – aan alle priesters, die de zegen van de bisschop hebben om de biecht af te nemen.

De Evangelieschrijver Johannes waarschuuwt ons ervoor om onszelf geen rad voor de ogen te draaien: “ Indien wij zeggen, dat wij geen zonden hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet. Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid.” ( 1 Joh.1:8 en 9).

Het sacrement van de Doop, de intreding in de Kerk, is altijd verbonden geweest met berouw.

” Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Christus, tot vergeving van uw zonden en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen ” ( Hand. 2:38). In hetzelfde boek lezen we in Hand. 19:18 : “ en velen van hen die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden.”

DE VERLOREN ZOON

Een geschiedenis uit het Evangelie waarin we schuldbelijdenis tegenkomen, is de gelijkenis van de verloren zoon. (Lucas 15 :11-32). Hier beschrijft Christus een jongeman, die zo ongeduldig is om aan zijn erfenis te komen en onafhankelijk te zijn, dat hij in feite tegen zijn vader zegt: “Voor mij ben je eigenlijk al dood. Geef me nu maar wat ik na je begrafenis zou krijgen. Ik wil niets meer met jou en met dit huis te maken hebben.”

Met een vrijgevigheid als van God, geeft de vader alles wat zijn zoon vraagt, hoewel hij zijn zoon goed genoeg kent om te weten dat alles wat de jongen krijgt netzogoed in de kachel verbrand kan worden. De jongen neemt zijn erfenis en verlaat het huis, eindelijk vrij van zijn ouders, vrij van moraal en goed gedrag, vrij om te doen en te laten wat hij wil.

Nadat hij zijn geld verspild heeft, vindt hij zich terug, vernederd tot boerenknecht, die de varkens moet voederen. Mensen, van wie hij altijd gedacht had, dat het zijn vrienden waren, bespotten hem. Hij weet dat hij het recht om iemands zoon te zijn verspeeld heeft, toch durft hij in zijn wanhoop te hopen, dat zijn vader hem tenminste zal toestaan als een knecht terug te keren. Vol van afkeer van wat hij tegen zijn vader gezegd heeft en van wat hij met zijn erfenis gedaan heeft, gaat hij op weg naar huis in zijn vodden, klaar om zijn zonden te biechten en om werk te smeken en een hoekje om te slapen. De zoon kan zich niet voorstellen hoe lief zijn vader hem heeft of dat ondanks de moeilijkheden, die hij gemaakt had, hij toch vreselijk gemist werd.

De vader was helemaal niet blij dat hij van de jongen af was. Dag na dag stond hij biddend op de uitkijk, in de hoop op de terugkomst van zijn zoon.

“ En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem.”( v.20). Als hij niet op de uitkijk had gestaan, zou hij zijn kind in de verte niet ontdekt hebben en begrepen wie het was, die daar aankwam. In plaats van rustig te staan wachten had, tot zijn zoon de deur bereikt had, rende hij hem tegemoet, omhelsde hem en stortte een vloed van blijde en verwelkomende woorden uit, geen verwijten en bestraffingen.

“ En de zoon zeide tot hem: Vader ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard om uw zoon te zijn,” (v.20). Hier is de schuldbelijdenis van de zoon uitgedrukt in een enkele zin. Het is de zuivere inhoud van iedere schuldbelijdenis: de terugkeer naar onze Vader, die ons gemaakt heeft en voortdurend op onze thuiskomst wacht.

WAT IS ZONDE ?

Er bestaan ontelbare artikelen en boeken die gaan over menselijke mislukkingen onder verschillende benamingen, zonder dar er ook maar één keer het woord zonde genoemd wordt. Handelingen, die traditioneel als zondig beschouwd werden, worden tegenwoordig gezien als natuurlijke perioden, die bij het opgroeiingsproces horen; een resultaat van slechte opvoeding, de gevolgen van een mentale ziekte, een onontkoombare reactie op sociale voorwaarden of ziekelijk gedrag, veroorzaakt door de een of andere verslaving.

Maar wat is er aan de hand als ik meer zou zijn dan een robot, die geprogrammeerd is door mijn verleden of mijn omgeving of door mijn financieële toestand, stel je voor dat ik een bepaalde verantwoording – of schuld –zou hebben voor mijn doen en laten? Heb ik geen dingen gedaan waarvoor ik me diep schaam, die ik nooit meer zou doen als ik terug kon gaan in de tijd en waarvan ik zou wensen, dat niemand er ooit achter zou komen? Wat maakt me zo afkerig om deze daden “zonden“ te noemen? Is dat woord werkelijk verouderd? Of is het een probleem dat het te direct en te snijdend is?

Het hebreeuwse werkwoord chata, “zondigen”, net als het griekse woord amartia, betekent gewoon: van de weg af raken, verdwalen, het doel missen. Zonde – uit de koers raken – kan opzettelijk zijn of onopzettelijk.

De schrijver van het bijbelboek Spreuken noemt zeven dingen, die God haat: Een trotse blik/ Een liegende tong/ Handen, die onschuldig bloed vergieten/ Een hart, dat gemene plannen smeedt / Voeten, die vlug naar de slechtheid rennen / Een valse getuige, die liegt / Iemand, die onenigheid tussen broeders zaait. (Spr. 6:17-19).

Trots staat op de eerste plaats. “Hovaardij (trots) gaat vooraf aan het verderf, en hoogmoed komt voor den val.”(Spr.16:19). In de hof van Eden probeert satan trots op te wekken in zijn gesprek met Eva. Eet van de verboden vrucht en “ gij zult als God zijn “ (Gen.3:5).

Het verlangen om anderen vooruit te zijn, meer gewaardeerd te worden dan anderen, hoger beloond te worden dan anderen, in staat te zijn anderen voor je te laten sidderen, de onbekwaamheid om je fouten toe te geven of om excuus te vragen – dit zijn de symptomen van trots. Hoogmoed maakt de weg vrij voor ontelbaar meer zonden, bedrog, leugens, dieverij, geweld, en al die andere daden, die de gemeenschap met God en degenen om ons heen verbreken.

Toch verbrengen we een groot deel van ons leven ermee om onszelf ervan te overtuigen, dat het toch niet zo erg was wat we gedaan hebben en dat het zelfs als goed beschouwd kan worden, gezien de omstandigheden. Zelfs tijdens de biecht leggen veel mensen uit wat ze gedaan hebben, inplaats van gewoon toe te geven, dat ze dingen gedaan hebben, die vragen om vergeving. “ Toen ik pas geleden ongeveer vijftig mensen de biecht afnam in een normale Orthodoxe gemeete in Pennsylvania, “ schreef vader Alexander Schmemann, “ was er niet één bij, die toegaf, dat hij ook maar één zonde bedreven had!”

“ We zijn in staat om heel wat gemene dingen in ons leven te doen,” merkt de verhalenschrijver Garrison Keillor uit Minnesota op, “ niet al deze dingen zijn het gevolg van slechte communicatie. Sommige zijn het gevolg van slechtheid. Mensen doen slechte, vreselijke dingen. Ze liegen en bedriegen en beduvelen de regering. Zij vergiftigen de wereld om ons heen. En als ze gepakt worden tonen ze geen enkele spijt – zij gaan in therapie. Zij hadden een voedingsprobleem of zoiets. Zij leggen uit wat ze gedaan hebben – en zij voelen zich er helemaal niet slecht bij. Hen treft geen schuld. Het is psychologisch.”

Voor de mens, die een erge zonde heeft begaan, bestaan er twee vitale tekens – de hoop, dat niemand erachter komt, en een knagend gevoel van schuld. Dit is tenminste het geval voordat het geweten volledig ongevoelig wordt – dat gebeurt als het patroon van de zonde zodanig een levensaard wordt, dat de hel, in plaats van een mogelijke hiernamaalservaring, de plaats is, waarin men zich in dit leven bevindt.

Het is een frappant feit in de menselijke opbouw, dat we willen, dat sommige daden geheim blijven, niet wegens bescheidenheid, maar wegens een onbetwist gevoel een wet, te hebben overtreden, die grondzettelijker is dan welke wet in een wetboek ook – de wet, “die in ons hart gegrift staat.”, waar Paulus op wijst in Rom.2:15. Het is niet alleen maar, omdat we bang zijn voor straf. Het komt, omdat we niet door anderen als een mens, die zulke dingen doet, willen worden gezien. Eén van de belangrijkste obstakels om te biechten is de ontzetting dat iemand te weten zal komen, wat eigenlijk niemand weten moest.

Eén van de eigenaardigste dingen van de tijd waarin wij leven is, dat we een schuldgevoel aangepraat krijgen over het zich schuldig voelen. In ons huis hangt een striptekening waarop de ene gevangene tegen de andere zegt: “ Onthoud nou goed – het is in orde om schuldig te zijn, maar het is verkeerd om je schuldig te voelen.”

Een schuldgevoel – de pijnlijke gewaarwording van een zonde begaan te hebben – kan levensvernieuwend werken. Schuld geeft reden voor berouw, wat op zijn beurt kan leiden tot schuldbelijdenis en bekering. Zonder schuld bestaat er geen zelfverwijt en zonder zelfverwijt bestaat er geen mogelijkheid tot bevrijding van zonde.

Toch bestaan er vormen van schuld, die doodlopende wegen zijn. Als ik me schuldig voel, dat ik het niet voor elkaar gekregen heb om de ideale persoon te worden, die ik af en toe wil zijn, of waarvan ik denk, dat anderen willen dat ik ben, is dat schuld zonder goddelijk aanknopingspunt. Dat is gewoon een geirriteerd ik, denkend over een geirriteerd ik. Chistendom draait niet om een voorstelling, om wetten, om principes of het bereiken van onberispelijk gedrag, maar om Christus Zelf en om deelneming aan Gods herscheppende liefde.

Als Christus zegt: “ Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.” (Matth.5:48), spreekt Hij niet over het behalen van een volmaakte uitkomst bij een test, maar over het volledig worden, een staat van gemeenschap (communicatie) met God, van een volledig meedelen in Gods liefde.

Deze toestand van wordt aangegeven op de ikoon van de Heilige Drieëenheid van de H.Andrej Rublev : deze drie op engelen gelijkende figuren, die rustig bijelkaar zitten rond een avondmaalsbeker op een klein altaar. Zij symboliseren de Heilige Drieëenheid: de gemeenschap, die bestaat binnen God – geen gesloten gemeenschap, die alleen tot henzelf beperkt is, maar een open gemeenschap van liefde, waarin we niet alleen maar uitgenodigd worden, maar verwacht worden om eraan deel te nemen.

We voelen een gezegende schuld als we ons realiseren, dat we onszelf afgesneden hebben van deze goddelijke gemeenschap, die de gehele schepping omstraalt. Het is onmogelijk om in een heelal zonder God te leven, maar het is gemakkelijk om Gods aanwezigheid niet te beseffen of er zelfs kwaad over te zijn.

Het is een algemene misleidende mening, dat iemands zonde privé zijn of slechts maar op een paar mensen betrekking hebben. Te denken, dat onze zonden, hoe verborgen ook, geen uitwerking op anderen hebben, is hetzelfde als denken, dat een in het water geworpen steen geen ribbels veroorzaakt. Zoals Bisschop Kallistos Ware opmerkt: “ Er bestaan geen volkomen privé zonden. Alle zonden worden zowel tegen mijn naaste begaan, als tegen God en mijzelf. Zelfs mijn meest geheime gedachten maken het in feite moeilijker voor degenen om mij heen om Christus te volgen.”

In plaats van verborgen te zijn, is iedere zonde een nieuwe barst in de wereld.

Eén van de meest gebruikte Orthodoxe gebeden is het Jezusgebed, slechts één zin: “ Here Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij een zondaar!” Hoe kort het ook is, worden er toch veel mensen, die zich ertoe aangetrokken voelen, afgeschrikt door de laatste twee woorden. Aan degenen, die het gebed onderwijzen, wordt vaak gevraagd:” Maar moet ik mijzelf een zondaar noemen?” In feite is het einde va dit gebed helemaal niet belangrijk – het enige onontbeerlijke woord is “Jezus” – maar mijn moeilijkheid met het identificeren van mijzelf als zondaar onthult veel. Wat houdt me tegen om over mijzelf in zulke simpele woorden te spreken? Breng ik het er niet goed af om de aanwezigheid van Christus in mijn leven te verbergen in plaats van te tonen? Ben ik geen zondaar? Om dit toe te geven is een startpunt.

Op de zonde zijn twee antwoorden mogelijk: rechtvaardigen of berouw tonen. Er bestaat geen middenweg.

Rechtvaardigen kan met de mond zijn, maar daadwerkelijk neemt het de vorm van herhaling aan: ik doe hetzelfde steeds weer om aan mijzelf en aan anderen te laten zien, dat het toch eigenlijk geen zonde is, maar iets normaals of menselijks of nodig of zelfs goed. “ Bega twee keer een zonde en het lijkt geen misdaad meer,” zegt een Joods spreekwoord.

Aan de andere kant is berouw de erkenning, dat ik niet zo kan leven als ik gedaan heb, omdat ik op die manier een muur bouw tussen mijzelf en God en de anderen. Berouw is verandering van koers. Berouw is de deur naar de gemeenschap. Het is ook een voorwaarde tot vergeving. Vergeving is onmogelijk waar geen berouw is.

De H. Johannes Chrysostomos zei zestien eeuwen geleden in Antiochië:

Berouw opent de hemelen, brengt ons in het Paradijs, overwint de duivel. Heb je gezondigd? Wanhoop niet! Als je elke dag zondigt, heb elke dag berouw! Als er kapotte gedeeltes zijn in oude huizen, vervangen we ze met nieuwe en we houden niet op met de zorg voor de huizen. Op dezelfde manier moet je over jezelf denken: Als je vandaag je leven bezoedeld hebt met zonden, reinig je dan onmiddelllijk door berouw.

BEROUW ALS EEN SOCALE DAAD.

Het is onmogelijk om zich een gezond huwelijk of een sterke vriendschap voor te stellen zonder schuldbelijdenis en vergeving. Als we iets gedaan hebben, dat een relatie schade toebrengt, is schuldbelijden wezenlijk voor het herstel. Ter wille van die band, belijden we wat we gedaan hebben, we verontschuldigen ons, we beloven om het niet meer te doen; en dan doen we alles wat in onze macht is om onze belofte te houden.

In het verband van het godsdienstig leven, is de schuldbelijdenis, de biecht, een voorzorg en een vernieuwing van onze relatie met God, wanneer die schade heeft opgelopen. Biechten herstelt onze gemeenschap met God en met elkaar.

Het is nooit gemakkelijk om iets waar we spijt van hebben en waar we ons over schamen toe te geven. Ook niet om iets, wat we geprobeerd hebben geheim te houden of we ontkennen gedaan te hebben of een ander de schuld van geven, en misschien beredeneren – netzo goed tegen onszelf als tegen anderen – dat het eigenlijk geen zonde was, tenminste niet zo erg als sommige mensen zeggen. In de moeilijke arbeid van het opgroeien, is een van de pijnlijkste taken te leren om te zeggen: “ Het spijt me!”

Toch zijn we ontworpen voor de biecht. Geheimen zijn moeilijk te bewaren, maar onbeleden zonden gaan niet alleen nooit meer weg, maar hebben de gewoonte om zwaarder en hardnekkiger te worden met de tijd – hoe groter de zonde, hoe zwaarder de last. Schuldbelijdenis is de enige oplossing.

Om de biecht in sacrementele zin te begrijpen, moet men eerst met een paar grondzettelijke vragen klaarkomen: Waarom is de Kerk betrokken bij de vergeving van zonden? Is de biecht in aanwezigheid van een priester werkelijk nodig? Waarom eigenlijk in de aanwezigheid van een menselijke getuige? Als God werkelijk alwetend is, dan weet Hij toch alles al over mij. Mijn zonden zijn al bekend, voordat het in me opkomt om ze gaan biechten. Waarom zou ik me uitsloven om God te vertellen wat Hij toch al weet?

Jazeker, God weet het. Mijn biecht kan nooit zo volledig of onthullend zijn als Gods kennis over mij of alles wat in mijn leven gerepareerd moet worden.

Een vraag, die betrekking heeft op het feit, dat we ontworpen zijn als sociale wezens, moet in overweging genomen worden. Waarom wil ik zo graag verbonden zijn met anderen in alle aspecten van het leven, maar niet in dit aspect? Waarom zoek ik zo ijverig naar excuses, zelf met theologische beredeneringen, om mijn schuld niet te belijden? Waarom probeer ik zo ernstig mijn zonden weg te redeneren, totdat ik besloten heb, dat ze niet zo erg waren of dat ze zelfs als goede daden beschouwd kunnen worden? Waarom vind ik het zo gemakkelijk om zonde te doen, maar ben ik zo terughoudend om in het bijzijn van iemand anders toe te geven, dat ik ze gedaan heb?

We zijn sociale wezens. Het individu als een autonome eenheid is een waanvoorstelling. De Marlboro Man – de persoon zonder gemeenschap, ouders, echtgenoot of kinderen – bestaat alleen maar op reclameborden. Het individu is iemand, die het gevoel van gemeenschap met anderen kwijt is of probeert in verzet tegen de anderen te leven – terwijl de persoon bestaat in gemeenschap met andere personen. Op een conferentie van Orthodoxe Christenen in Frankrijk een paar jaar geleden, gaf een theoloog toe in een gesprek over het probleem van individualisme: “ Als ik in mijn auto zit, ben in een individu, maar als ik eruit kom ben ik weer een persoon.”

Wij zijn sociale wezens. De taal, die we spreken, bindt ons aan degenen om ons heen. Het voedsel, dat ik eet, is geteeld door anderen. De bekwaamheden die mij geleerd zijn, werden door de eeuwen en honderden generaties ontwikkeld. De lucht, die ik inadem, het water, dat ik drink, zijn niet uitsluitend voor mijn gebruik, maar is in veel lichamen geweest voor mij. De plaats waar ik woon, de gereedschappen, die ik gebruik, het papier, waarop ik schrijf werden door veel handen gemaakt. Ik ben geen dokter of bankier of tandarts alleen. Als ik mijzelf ontkoppel van de anderen, ben ik in gevaar. Alleen zal ik sterven, en ook nog snel. Met anderen in gemeenschap zijn, is leven.

Omdat we sociale wezens zijn, neemt de biecht in de Kerk niet de plaats in van de biecht tegenover degenen tegen wie ik gezondigd heb. Een wezenlijk element van de biecht is alles te doen waarmee ik goed kan maken wat ik verkeerd heb gedaan. Als ik iets gestolen heb, moet ik het teruggeven of betalen. Als ik gelogen heb, moet ik die persoon de waarherid gaan vertellen. Als ik kwaad was zonder een goede reden, moet ik mijn verontschuldiging aanbieden. Ik moet vergeving vragen, niet alleen aan God, maar ook aan degenen, die ik benadeeld heb of kwaad gedaan.

Wij zijn ook sprekende wezens. Woorden zijn een manier van gemeenschap hebben, niet alleen met anderen, maar ook met onszelf. Het feit, dat de biecht onder getuige gebeurt dwingt ons ertoe om onder woorden te brengen, groot of klein, meer of minder, hoe ik leef alsof God niet bestaat en er geen gebod voor liefde is. Een verborgen gedachte heeft grote macht over ons.

Zonden belijden, of zelfs maar verleiding tot zondigen, helpt ons beter om tegenstand te bieden. Het principe, dat erachter zit wordt beschreven in een van de verzamelingen van de gezegden van de Woestijnvaders:

Als gij geplaagd wordt door onreine gedachten, verberg ze niet, maar vertel ze meteen en aan uw geestelijke vader en keur ze af. Hoe meer een mens zijn gedachten verbergt, hoe meer ze zich vermenigvuldigen en aan sterkte winnen. Maar een slechte gedachte, die onthuld wordt, wordt onmiddellijk vernietigd. Als gij dingen verbergt, krijgen ze grote macht over u, maar als u er alleen maar over kan praten voor God, in tegenwoordigheid van iemand anders, dan verschrompelen vaak en verliezen hun macht.

Schuldbelijden aan iemand, zelfs een onbekende, werkt meer vernieuwend, dan dat het aan mijn menselijkheid afdoet, zelfs als alles wat ik terugkrijg voor mijn verontschuldiging de volgende opmerking is: “ O, het is niet zo erg, uiteindelijk ben je ook maar een mens.” Maar als ik mijn schuld kan toegeven tegen iedereen en overal, waarom kan ik dat dan niet in de Kerk in aanwezigheid van een priester? Het is geen gemakkelijke vraag in kringen waar de uitdrukking “ godsdienst als instelling “ vaak gebruikt wordt met de verkapte boodschap, dat godsdienst het geestelijke leven noodzakelijk ondermijnt.

De biecht is een Christelijk ritueel met een gemeenschaps karakter. Biecht in de Kerk verschilt van het toegeven van je schuld in je huiskamer, op dezelfde manier waarop het trouwen in de Kerk verschilt van zomaar samen wonen. Het gemeenschappelijke aspect van de gebeurtenis heeft de neiging om die veilig te stellen, om die duurzamer te maken en iedereen verantwoordelijk te stellen is, zowel degenen, die de ceremonie uitvoeren, als de getuigen.

In de sociale structuur van de Kerk, wordt een groot netwerk van plaatselijke gemeenten bijelkaar gehouden in eenheid. Iedere gemeente helpt de andere en ze nemen allemaal deel aan een algemene taak. En iedere gemeente heeft en speciale plaats, m.a.w. een kerkgebouw, waar de belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven gezegend worden van de wieg tot het graf, van de doop tot de begrafenis. De biecht is een wezenlijk deel van deze opeenvolging. Mijn schuldbelijdenis is een daad van weer verbonden worden met God en met de mensen en schepselen, die zich op mij verlaten en door mijn tekortkomingen zijn gekwetst en van wie ik mij verwijderd heb door daden tegen de gemeeschap. De gemeenschap wordt gerepresenteerd door de persoon, die mijn biecht aanhoort, een gewijde priester, aangesteld om te dienen als getuige van Christus, die voor leiding en kennis zorgt, zodat die ieder die berouw heeft, geholpen wordt om over het gedrag en de gewoonten, die hem doen ontsporen, heen te komen. Hij stelt vergeving vast en brengt ons terug in de gemeenschap. Op deze manier wordt ons berouw in de gemeente gebracht, die door onze zonde benadeeld was – een privé gebeurtenis in een openbaar verband.

“Het is een feit,” schrijft vader Thomas Hopko, rector van het St. Vladimir Seminarium, “ dat we de werkelijke lelijkheid en gemeenheid van onze zonden niet kunnen zien, totdat we ze gezien hebben in geest en het hart van degene, aan wie we schuld moesten belijden.”

EEN LEVEN MET DE COMMUNIE ALS MIDDELPUNT.

Naar de Liturgie gaan en aan het Avondmaal ( Communie, Gemeenschap) op zondag en grote feestdagen is altijd het hart van het Christelijke leven geweest, de gebeurtenis, die het leven een dankzeggende dimensie en middelpunt geeft. Maar Communie – Christus in onszelf ontvangen – kan nooit een routine worden, nooit iets dat we verdienen, wat ook de gesteldheid van ons leven is. Bijvoorbeeld, Christus waarschuwt ons tegen het naderen van het altaar als we vijandschap voelen tegen iemand. Hij zegt ons : “ Laat uw gave daar voor het altaar en ga eerst hen, verzoen u met uw broeder, en kom en offer daarna uw gave.” ( Matth.5:24). In een van de gelijkenissen, beschrijft Hij een persoon, die van het bruiloftsfeest weggejaagd werd omdat hij geen bruiloftskleren droeg. Voddige kleren zijn figuurlijk voor een leven leiden, dat het geweten tot vod terugbrengt. ( Matth. 22: 1-14).

Christus te ontvangen in de Communie tijdens de Liturgie, is de sleutel tot het leven in Gemeenschap – God, met de mensen en met met de schepping. Christus leert ons, dat God liefhebben en uw naaste liefhebben de som van de Wet is. Een manier om een erge zonde te beschrijven, is te zeggen, dat het een daad is, die onze band met God en met onze naaste verbreekt.

Daarom is het onderzoek van het geweten – als het nodig is, biechten – een deel van de voorbereiding op de Communie (Avondmaal). Dit is een voortdurend proces van proberen mijn leven en handelen duidelijk en eerlijk te bezien – mijzelf, mijn keuzes en welke richting ik inlsa bekijken, zoals God die kent. Het onderzoek van het geweten is de gelegenheid om mij aan mijn erge zonden te herinneren, die ik gedaan heb sinds mijn biecht, maar zelfs het begin van een zonde.

Het woord geweten is afgeleid van een grieks werkwoord, dat ”algemene kennis hebben” betekent of “ kennen met iemand “, een begrip, dat geleid heeft tot “getuige zijn van iemand”, in het bijzonder van onszelf. Geweten is een innerlijke mogelijkheid, die ons leidt in het maken van keuzes, die met Gods wil overeenstemmen, en dat ons beschuldigt als we de gemeenschap met God en onze buurman verstoren. Geweten is een weerspiegeling van de goddelijke beeltenis in het diepste van iedere persoon. In De Geheiligde Gift van het Leven , wijst vader John Beck erop, dat “ de onderwijzing van het geweten voor een groot gedeelte tot stand komt door onszelf te verdiepen in het ascetische leven van de Kerk: het is het leven van gebed, sacrementele en liturgische diensten, en bijbelstudie. De onderwijzing van ons geweten hangt ook af van het verkrijgen van kennis van degenen, die verder zijn dan wij in geloof, liefde en kennis van God.

Geweten is de fluisterende stem van God binnenin ons, die ons roept tot een manier van leven, die Gods tegenwoordigheid onthult, en ons aanspoort om te weigeren handelingen te doen, die gemeente en gemeenschap vernietigen.

SLEUTELBESTANDDELEN VAN DE BIECHT.

Vader Alexander Schmemann, biedt ons deze samenvatting van de drie sleutelgedeelten van de schuldbelijdenis aan:

Relatie tot God
: Vragen over het geloof zelf, mogelijke twijfel of dwalingen, onoplettendheid bij het gebed, verwaarlozing van het liturgische leven, vasten, enz.

Relatie tot onze naaste : fundamenteel egoistisch en egocentrisch gedrag, onverschilligheid tegenover anderen, gebrek aan oplettendheid, belangstelling, liefde. Alle handelingen van feitelijk aanstoot geven – jaloersheid, roddel, wreedheid, enz. – moeten genoemd worden en als het nodig is moet hun zondigheid getoond worden aan de schuldbelijder.

Relatie tot zichzelf : Vleselijke zonden gezien de Christelijke visie op zuiverheid en gezondheid, respect voor het lichaam als een beeldtenis van Christus, enz. Misbruik van het leven en levensbenodigdheden; afwezigheid van elke echte poging om het leven te verdiepen; alcoholmisbruik of andere drugs; goedkope ideeën over “ leuk”, een leven gericht op amusement, onverantwoordelijkheid, verwaarlozing van familie relaties, enz.

HULPMIDDELEN VOOR ZELFONDERZOEK.

In de strijd om het geweten te onderzoeken, hebben we hulpmiddelen, die ons kunnen bijstaan, bronnen, die zowel kunnen helpen bij de vorming als bij het onderzoek van ons geweten. Daaronder zijn de Tien Geboden, de Zaligsprekingen en verschillende gebeden, zowel als lijsten van vragen, geschreven door ervaren biechtvaders. In dit kleine boekje zullen we alleen kijken naar de Zaligsprekingen, die eigenlijk een kortbegrip van het Evangelie zijn. Iedere Zaligspreking onthult een aspect van de verbintenis met God.

Zalig zijn de armen van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Armoede betekent hier ervan bewust zijn, dat ik Gods hulp en genade meer nodig heb dan wat dan ook. Het is weten dat ik mijzelf niet kan redden, noch geld of macht mij lijden en dood kan besparen. En dat, wat ik ook in dit leven zal bereiken, het veel minder zal zijn dan ik wil, als ik mijn hebberige hoedanigheid de overhand laat krijgen. Het is de zegen te weten dat, wat ik heb, niet van mij is. Het is een leven zonder overheersing van de angst. Terwijl de uiterlijke vormen van armoede verschillen van persoon tot persoon en zelfs van jaar tot jaar in een zeker leven, afhangend van ieders roeping en speciale omstandigheden, zoekt iedereen die, deze zaligspreking naleeft, met hart en ziel Gods wil te doen en niet zijn eigen wil. Gods moeder is het grote voorbeeld van armoe van geest met haar onvoorwaardelijke overgave aan de wil van God: “ Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord.” (Luc. 1:38). Netzo als bij de bruiloft te Kana, dan zegt ze tegen de dienaren, die aan tafel bedienen : “ Wat Hij u ook zegt, doe dat.” (Joh.2:5). Wie deze woorden naleeft, is arm van geest.

Vragen om over na te denken: We worden gebombardeerd door reclames, die ons voortdurend herinneren aan de mogelijkheid om dingen te bezitten of om toe te geven aan allerlei bijzonderheden en verleidingen. Het simpele doel van armoe van geest lijkt verder weg, dan de maan. Bid ik wel regelmatig of God mij armoede van geest wil schenken? Als ik ertoe verleid wordt om dingen te kopen, die ik niet nodig heb, bid ik dan om sterkte om het niet te doen? Houd ik mij aan de vasten, die de Kerk voorschrijft om mij te helpen deze zaligspreking na te leven? Streef ik er werkelijk naar om Gods wil te kennen en aan te nemen in mijn leven? Ben ik bereid om als vreemd en dom beschouwd te worden door degenen, wiens leven overheerst wordt door het tegenovergestelde van deze zaligspreking?

Zalig die treuren, want zij zullen vertroost worden.

Treuren is van het zelfde laken een pak met armoe van geest. Zonder armoe van geest, ben ik er altijd op uit om hetgeen ik heb voor mijzelf te houden, of op mijzelf te blijven, of voor die kleine kring van mensen, die ik als”eigen” beschouw. Een gevolg van armoede van geest is gevoelig worden voor pijn en verlies van anderen, niet alleen, degenen, die ik ken, maar ook van diegenen, die vreemden voor mij zijn. “ Als we sterven,” zegt Johannes van de Ladder, die in de 7e eeuw abt van het Katerinaklooster op de Sinaï was, “ zullen we niet veroordeeld worden omdat we geen wonderen hebben gedaan. We zullen niet beschuldigd worden omdat we geen theologen of denkers waren. Maar we zullen wel degelijk aan God moeten uitleggen waarom we niet voortdurend getreurd hebben.”

Vragen om te overdenken: Huil ik met degenen, die huilen? Heb ik gerouwd om mijn familieleden, die gestorven zijn? Laat ik mijn gedachten en gevoelens gaan over het lijden en verlies van anderen? Probeer ik ruimte te maken in mijn geest en hart voor de rampen in het leven van anderen, die ver weg zijn en niet eens mijn taal spreken of mijn geloof delen?

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beerven.

Zachtmoedigheid wordt vaak gezien als zwakheid, toch is een zachtmoedig mens geen lafaard noch zonder ruggegraat. In de Bijbel wordt bedoeld met zachtmoedigheid, het maken van keuzes en het uitoefenen van macht vanuit een godvrezend standpunt, in plaats van een maatschappelijk standpunt. Zachtmoedigheid is de wezenlijke kwalitiet van de mens, die een relatie met God heeft. Zonder zachtmoedigheid, kunnen we ons niet overgeven aan Gods wil. In plaats van nederigheid, geven we de voorkeur aan trots – trots op wie we zijn, trots omdat we doen wat we willen, trots op wat we bereikt hebben, trots op onze nationale of ethnische groep waartoe we behoren. Zachtmoedigheid heeft niets te maken met blinde gehoorzaamheid of sociale onderwerping. Zachtmoedige Christenen laten zich niet meeslepen op het getij van politieke machten. Dergelijke roerloze mensen hebben hun eigen geweten toegesnoerd, Gods stem uit hun hart gebannen en hun door God gegeven vrijheid weggegooid. Zachtmoedigheid is een kenmerk van het volgen van Christus, wat er ook voor risico aan verbonden is.

Vragen hierover: Als ik de Bijbel lees of de geschriften van de heiligen, denk ik dan aan de invloed van die woorden op mijn leven? Als de inhoud niet overeenkomt met de manier waarop ik leef, laat ik me dan uitdagen door die tekst? Bid ik tot God om leiding? Zoek ik voor antwoord op moeilijke vragen om hulp bij de biecht? Heb ik de neiging om keuzes te maken en ideeën aan te nemen, die me zullen helpen om in de groep te passen waarbij ik wil horen? Ben ik bang voor kritiek of om uitgelachen te worden om mijn pogingen om een leven te leiden, dat het Evangelie tot middelpunt heeft? Luister ik naar anderen? Zeg ik altijd de waarheid, zelfs in zeer moeilijke omstandigheiden?

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

In zijn onderwijzing over Het Laatste Oordeel, spreekt Christus over honger en dorst: “ Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven.” (Matth.25:35). Onze verlossing rust op onze zorg voor de minste persoon zoals we zouden doen als hij Christus zelf was. Om te hongeren en te dorsten voor iets is geen zwak gevoel, maar een wanhopig verlangen. Om naar gerechtigheid te hongeren en te dorsten betekent een dringend verlangen naar wat eervol is, naar juistheid en waarheid. Een rechtvaardig persoon is een mens die juist leeft, een zedelijk, onberispelijk leven, op goede voet met God en zijn naaste. Een rechtvaardige sociale orde zou er een zijn waarin niemand verlaten wordt of weggeworpen, waarin mensen in vrede met God leven en met elkaar en met de wereld, die God ons gegeven heeft.

Vragen om in overweging te nemen: Stoort het me om in een wereld te leven, die het tegenovergestelde is van het Koninkrijk der Hemelen? Als ik bid, “ Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede zowel in de hemel als op aarde,” bid ik dan of mijn eigen leven beter Gods voorkeuren laat zien? Wie is de “minste” in mijn dagelijkse wereld? Probeer ik het beeld van Christus te zien in hem of haar”

Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

Eén van de strikken van het najagen van de gerechtigheid is, dat men zelfvoldaan kan worden. Daarom is de volgende sport op de ladder van de zaligsprelingen het gebod tot barmhartigheid. Het is de bekwaamheid tot zelfopofferende liefde, van edele daden voor de behoeftigen. Christus maakt twee keer in het Evangelie de woorden van de profeet Hosea de Zijne: “ Want in liefde heb ik behagen en niet in slachtoffer.”(Hos.6:6, Matth. 9:13, 12:7). We zijn in ontelbare gebeurtenissen getuige van barmhatigheid in de beschrijving van Christus’ leven in het Nieuwe Testament – vergeving, genezing, bevrijding, verbetering, zelfs de reparatie van een de wond van een man, die gewond werd door Petrus in een poging om Christus te beschermen, en de belofte van het Paradijs aan de man , die naast Hem gekruisigd werd.

Steeds weer stelt Christus vast, dat zij, die Gods vergeving willen, anderen moeten vergeven. Dit principe is ook ingesloten in het enige gebed, dat Christus aan Zijn discipelen heeft geleerd: “ En vergeef ons onze schulden, gelijk wij ook onze schuldenaren vergeven.” (Matth.6:12). Hij roept Zijn volgelingen op hun vijanden te vergeven en voor hen te bidden. De moraal van de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan is dat de naaste iemand is, die een vreemdeling in nood helpt (Luc.10: 29-37). Terwijl hij huichelarij openlijk veroordeelt en de genadelozen waarschuuwt, dat zij zich zelf veroordelen, horen we Christus nergens in het Evangelie voor iemands dood pleiten. Bij het Laatste Oordeel ontvangt Christus degenen, die genadig geweest zijn in het Koninkrijk der Hemelen. Hij is de Genade zelf.

Vragen, die gesteld kunnen worden: Wat is mijn reactie als ik een vreemdeling in nood zie? Is de genade van Christus te zien in mijn leven? Wil ik degenen, die mij daarom vragen vergeving schenken? Ben ik gul met mijn tijd en mijn aardse bezit ten opzichte van hulpbehoevenden? Bid ik voor mijn vijanden? Probeer ik ze te helpen als ze in nood zijn? Ben ik een vijand van iemand geweest?

Genade ontbreekt hoe langer hoe meer, zelfs in kringen met Christelijke wortels. In de V.S., is de doodstraf weer ingesteld in de meeste staten en wordt door vele Christenen vurig aangehangen. Zelfs in de vele landen, die terechtstellingen hebben afgeschaft, wordt de doodstraf vaak opgelegd aan ongeboren kinderen – abortus wordt nauwelijks beschouwd als een morele beslissing. Wat betreft de zieken, bejaarden en zwaar gehandicapten zijn “euthanasie” en “ hulp bij zelfdoding” veel gehoorde uitdrukkingen. In hoeverre ben ik beïnvloed door slogans en ideologieën, die dood tot een oplossing bevorderen en verkapte moord tot genade? Wat doe ik ervoor om de maatschappij meer verwelkomend te maken, zorgzamer en meer beschermend tegenover het leven?

Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

Het verstand wordt voorop gesteld in de wereld en het hart wordt ondergewaardeerd. Het hart werd altijd gezien als de plaats van Gods handelen in ons, het onderkomen van de menselijke identiteit en geweten, verbonden met onze bekwaamheid om lief te hebben, de kern van ons fysieke en geestelijke leven – de bodem van de menselijke ziel. In onze maatschappij waar het verstand in het middelpunt staat, verwonderen we ons erover, dat Christus niet gezegd heeft: “Zalig zijn de briljanten van geest.” Hij zegende juist de reinen van hart.

Het griekse woord voor rein is katharos en betekent vlekkeloos, smetteloos; intact, ongebroken, volmaakt; vrij van valsheid, bedrog of bevuiling. Wat is dan toch een rein hart? Het is een hart zonder bezitterigheid, een hart, dat in staat is tot rouw, een hart dat dorst naar het rechte, een hart vol genade, een liefdevol hart, een hart, dat niet beheerst wordt door hartstochten, een onverdeeld hart, een hart, dat Gods beeld in anderen herkent, een hart, dat zich tot schoonheid aangetrokken voelt, een hart bewust van Gods aanwezigheid in de schepping. Een rein hart is zonder minachting voor anderen. “ Een mens is werkelijk rein van hart als hij alle menselijke wezens als goed beschouwt en geen enkel geschapen ding onrein of vuil is in zijn ogen,” schrijft de H. Isaac de Syrieër.

Tegenstander van reinheid van hart is iedere soort begeerte – naar rijkdom, erkennig, macht, wraak, sexuele uitspattingen – of er nu daadwerkelijk aan toegegeven wordt of in de verbeelding. Geestelijke deugden, die het reine hart verdedigen zijn, herinnering, bewustzijn, waakzaamheid, oplettendheid, hoop, geloof en liefde. Een regelmaat van gebed in het dagelijkse leven helpt om te genezen, te bewaken en het hart heel te maken. “ Houdt uw verstand altijd in uw hart,” onderwees de grote leraar van gebed de H. Theophanos de Heremiet. Het Jezusgebed – het gebed van het hart – is een deel van de overlevering van het geestelijke leven, dat helpt om het centrum van het bewustzijn van het verstand naar het hart te verplaatsen. De reiniging van het hart is het streven om het verstand onder de heerschappij van het hart te stellen, hetwelk de analytische en organiserende kant van het bewustzijn vertegenwoordigt. Het is de macht van een voortdurend krachtig bidden, een zoeken naar het zich volkomen bewust zijn van Gods aanwezigheid, zodat er geen ruimte in het hart over is voor haat, hebberigheid, begeerte of wraak. De reiniging van het hart is een levenslange strijd om meer en meer een leven te verkrijgen, dat God als middelpunt heeft, een hart verlicht door de aaanwezigheid van de Heilige Drieëenheid

Vragen om te overdenken: Zorg ik ervoor om geen dingen te lezen of te bekijken, die begeerte kunnen opwekken? Vermijd ik woorden te gebruiken, die mijn mond bevuilen? Let ik op schoonheid in mensen, de natuur en de kunst? Ben ik hatelijk over anderen? Is er een gebedsritme in mijn dagelijkse leven? Bereid ik me zorgvuldig voor op het Avondmaal (Communie), terwijl ik het nooit als vanzelfsprekend beschouw? Houd ik me aan de vastendagen en perioden? Ben ik me bewust en dankbaar voor Gods gaven?

Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Christus wordt vaak de Vredevorst genoemd. Zijn vrede is geen passive situatie – Hij zegent hen, die vrede stichten. Een vredestichter is iemand, die helpt om verstoorde relaties weer in orde te maken. Door het hele Evangelie zien we Christus vrede stichten. In Zijn laatste toespraak voor Zijn arrestatie zegt Hij tegen Zijn apostelen: “ Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u…uw hart worde niet ontroerd of versaagd” ( Joh.14:27). Na Zijn opstanding begroet Hij zijn volgelingen met de woorden “ Vrede zij met u.” (Joh.20:19). Hij leert Zijn volgelingen bij het binnengaan van een huis als eerste handeling de zegen uit te spreken: “ Vrede zij dezen huize.” (Luc.10:5).

Christus is zegt het meest tegensprekende als Hij zegt: “Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard” (Matth.10:34; n.b.dat in dezelfde passage in Luc.12:51, het woord “verdeeldheid” gebruikt wordt in plaats van “zwaard”). Degenen, die proberen Christus’ vrede na te leven, kunnen zich in gevaar begeven, zoals we zien bij de dood van de martelaren. Jammergenoeg is voor de meesten van ons de vrede waarnaar we verlangen niet het Koninkrijk der Hemelen, maar een lichtelijk verbeterde uitgave van wereld die we al hebben. We zouden uit het conflict willen komen zonder de geestelijke en materieële factoren, die ons er in de eerste plaats ingetrokken hebben, uit te roeien. De vredestichter is iemand, die zich er van bewust is, dat het doel nooit gescheiden kan zijn van het middel: vijgen groeien niet aan distels; noch onstaat er een gemeente door haat en geweld. Een vredestichter is er van bewust, dat alle mensen, zelfs degenen, die door een boze geest geleid schijnen te worden, gemaakt zijn naar het beeld en de gelijkenis van God en in staat zijn om te veranderen.

Vragen hierover: Ben ik schuldig aan zonden, die verdeelheid en conflict kunnen verdiepen in mijn familie, mijn parochie en onder mijn medewerkers? Vraag ik om vergeving als ik me realiseer, dat ik verkeerd zit? Of ben ik altijd aan het goedpraten wat ik doe, ondanks het verdriet en de pijn, dat ik er bij anderen mee veroorzaak? Beschouw ik het als tijdverspilling om met mijn tegenstanders te communiseren? Luister ik oplettend en respectvol naar hen, die mij irriteren? Bid ik voor het welzijn en verlossing van tegenstanders en vijanden? Laat ik de mening van anderen of wat de pers zegt mijn gedrag tegen hen, die ik nog nooit gezien heb bepalen? Onderneem ik positieve stappen om verdeeldheid op te lossen? Bestaan er mensen, die ik niet beschouw als Gods evenbeeld en vindt ik dat ze en aangeboren slechtheid bezitten?

Zalig de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Konikrijk der hemelen.

Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spre ekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want u loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten voor u vervolgd.

De laatste sport van de ladder van de Zaligsprekingen bereiken het Kruis en gaan zelfs verder dan dat. “ We moeten het Kruis van Christus dragen als een gloriekroon,” schreef de H. Johannes Chrysostomos in de vierde eeuw, “ Want door het Kruis is alles, wat we hebben verworven, verkregen….. Wanneer gij het teken van het Kruis op uw lichaam maakt, denk er dan aan wat het Kruis betekent en zet uw woede opzij en iedere andere hartstocht. Wees moedig en vrij in uw ziel.”

In de oude wereld werden de Christenen voornamelijk vervolgd, omdat men dacht, dat ze de sociale orde verstoorden, ook al waren ze in de meeste opzichten voorbeelden van gehoorzaamheid en goed gedrag. Maar de Christenen hielden zich ver van de cultus rond de vergoddelijkte keizer, ze wilden niet offeren aan de goden, die hun buren aanbaden, en ze waren bekend om hun afkeer van het vergieten van bloed in elke vorm. Het is gemakkelijk te begrijpen dat een gemeenschap, die naar die standaard leefde, hoe goed men zich ook gedroeg, beschouwd werd als een dreiging voor de regering. “ Zowel de bevelen van de keizer als anderen aan de macht moeten gehoorzaamd worden zolang ze niet het tegendeel zijn van de geboden van de God van de Hemel,” zei de H. Euphemia in het jaar 303, tijdens de regering van Diocletianus. “ Als ze dat zijn, dan moeten ze niet alleen niet gehoorzaamd worden; we moeten ze weerstaan.” Nadat ze gemarteld was, werd ze gedood door een beer – een dergelijke dood hadden duizenden martelaren tot ver in de vierde eeuw, hoewel het grootste aantal Christelijke martelaren tot de twintigste eeuw behoort. In veel landen bestaat nog godsdienst vervolging.

Vragen om te overwegen: Speelt angst een grotere rol in mijn leven, dan liefde? Verberg ik mijn geloof of leef ik het op een timide manier na, niet helemaal van harte? Als mij bevolen wordt iets te doen wat tegen Christus leer ingaat, aan wie ben ik dan gehoorzaam? Ben ik me bewust van degenen, die lijden vanwege de gerechtigheid, zowel in mijn eigen land als in andere landen? Bid ik wel voor hen? Doe ik iets om hen te helpen?

HET VINDEN VAN EEN BIECHTVADER.

Netzo als niet elke dokter een goede geneesheer is, is niet iedere priester een goede biechtvader. Soms gebeurt het dat een priester, hoe goed hij ook in andere dingen is, niet geschikt is voor het aanhoren van schuldbelijdenis. Hoewel priesters, die schelden een grote uitzondering zijn, moet er toch rekening mee gehouden worden, dat ze kunnen bestaan. God heeft ons vrijheid van keuze gegeven en ieder mens van een geweten voorzien. Het is niet de rol van een priester de plaats van het geweten in te nemen of om iemands drilmeester te zijn. En goede biechtvader zal ons helpen om beter naar de stem van ons geweten te kunnen luisteren en vrijer te worden in een leven dat hoelanger hoemeer God als middelpunt heeft.

Gelukkig zijn goede biechtvaders gemakkelijk te vinden. In het alsgemeen is het de priester, die het dichtst bij is, die men vaak ziet en de omstandigheden van uw leven kent: dat is de priester van de parochie. Laat u niet tegenhouden door zijn jonge leeftijd, zijn persoonlijke tekortkomingen of misschien zijn gebrek aan geestelijke gaven. U moet bedenken, dat iedere priester zelf ook gaat biechten en misschien meer te belijden heeft dan u. U belijdt uw schuld niet aan hem, maar aan Christus in zijn aanwezigheid. Hij is de getuige van uw biecht. Men zal nooit een persoon zonder zonden vinden om die getuige te zijn. ( De Orthodoxen maken dat duidelijk door de schuldbelijder naar de ikoon van Christus te laten kijken, in plaats van naar de priester.)

Wat uw biechtvader zegt op het gebied van raad kan vol van inzicht zijn, of hard, of het zal zich als een cliché aanhoren en niet erg betrokken, maar er zal toch altijd iets zijn, dat helpt als u het maar wil horen. Soms is er een voorstel of een inzicht, dat een keerpunt in het leven kan worden. Als hij een straf oplegt – gewoonlijk vermeerderd gebed, vasten en daden van genade – zou dat deemoedig aangenomen moeten worden, behalve als er iets is, dat het geweten of de leer van de Kerk geweld aandoet in uw mening.

Denk niet, dat een priester minder respect voor u zal hebben door wat u onhult in zijn aanwezigheid of dat hij zich al uw zonden herinnert.” Zelfs een pas gewijde priester zal snel ontdekken, dat hij zich 99 procent van wat mensen biechten, niet herinnert” vertelde een priester mij eens. Hij zei, dat hij het hinderlijk vindt, dat mensen van hem verwachten nog te weten wat ze hem in een vorige biecht gezegd hebben. “ Als ze me het vertellen, herinner ik het me soms, maar zonder dat, is mijn geest gewoonlijk blank. Ik laat de woorden, waarnaar ik luister door mij heengaan. Ook is het zo, dat wat ik hoor in de ene biecht veel lijkt op wat ik hoor in de andere – alle biechten vermengen zich. De enige zonden, die ik me goed herinner, zijn mijn eigen zonden.”

Een ander priester vertelde me over zijn moeilijkheden om te voldoen aan de verwachtingen , die soms blijken tijdens de biecht. “ Ik ben geen psycholoog. Ik heb geen speciale gaven. Ik ben alleen maar een medezondaar, die probeert om op het rechte pad te blijven.”

Een russische priester, die de geestelijke vader van vele mensen is, vertelde me over de blijdschap, die hij vaak voelt als hij een schuldbelijdenis hoort. “ Het is niet, dat ik blij ben, omdat iemand zonden heeft, die beleden moeten worden, maar als je komt biechten betekent het dat de zonden van het verleden zijn en niet van de toekomst. Schuldbelijdenis maakt een keerpunt, en ik ben de gelukkige, die de mensen deze omkeer ziet maken!”

* * *

Remembering Metropolitan Anthony Bloom

anthony of sourozh(published in “In Communion” issue 31, Fall 2003)

By Jim Forest

“We should try to live in such a way that if the Gospels were lost, they could be re-written by looking at us.” — Metropolitan Anthony of Sourozh

One of the significant events in the Orthodox Church this year was the death from cancer on August 4th of a remarkable, indeed saintly, bishop: Metropolitan Anthony of Sourozh. He was 89. For many years he headed the Russian Orthodox Church of the Moscow Patriarchate in Great Britain.

Though he was not a member of the Orthodox Peace Fellowship’s advisory board, Metropolitan Anthony’s letters and conversations with those responsible for OPF played an important role in the path the Fellowship has followed. He passionately believed that peacemaking required active, warrior-like combat with evil. He had a strong aversion to the word “pacifist,” not only because it sounded with “passive-ist” but because of unpleasant encounters with self-righteous people quick to denounce those who failed to share their ideology. He preferred the phase “a man — or woman — of peace” which meant, he explained, a person “ready to work for the reconciliation of those who have grown apart or turned away from one another in enmity.” He was unhesitating in declaring that hatred is incompatible with Christianity, but saw the use of violence against Nazism in the Second World War as a lesser evil.

He sometimes told the story of an encounter he had during a retreat for university students. “After my first address one of them asked me for permission to leave it because I was not a pacifist.” “Are you one?” Metropolitan Anthony replied. “Yes.” “What would you do,” he asked, “if you came into this room and found a man about to rape your girl friend?” “I would try to get him to desist from his intention!” the man replied. “And if he proceeded, before your own eyes, to rape her?” “I would pray to God to prevent it.” “And if God did not intervene, and the man raped your girl friend and walked out contentedly, what would you do?” “I would ask God who has brought light out of darkness to bring good out of evil.” Metropolitan Anthony responded: “If I was your girl friend I would look for another boy friend.”

Yet, while hating passivity in the face of evil, his own commitment to reconciliation had deep roots in his life. During the years the German army occupied France when he was a physician active in the Maquis, a section of the French resistance, he had occasion to use his medical skills to save the life of a German soldier. Condemned for this act of Christian mercy by colleagues in the resistance, it was an action which almost cost him his own life. He was nearly executed. It was in that crucible of expected death that he decided, should he survive the war, that he would become a monk.

On another occasion, the roles were reversed: it was a German who saved his life. He had been arrested by the occupation forces. During a long interrogation, he was asked what he thought of National Socialism. “I assumed that I was going to be carted off to a camp anyway,” he recalled, “so I decided to tell the truth. I told them that I hated their system, and it would soon be overthrown by their enemies.” After a long pause his interrogator replied: “Quickly, out through that door. It isn’t guarded.” Thus he escaped.

He faced life-threatening situations many times. When the war ended, he found himself among Charles de Gaulle’s bodyguards during de Gaulle’s triumphal entry into Paris. He remembered taking cover from snipers while the General ignored the bullets.

Metropolitan Anthony stood ramrod straight. To the end of his life one could easily imagine him as an military officer if only he changed from his monastic robes into an army uniform. No one could have imagined, when he was a youth, that monastic vows, ordination as a priest and consecration as a bishop lay ahead or that he might become one of the great Christian missionaries of his era.

He was born Andrei Borisovich Bloom on the 19th of June 1914 in Switzerland, where his father was serving as a member of the Russian Imperial Diplomatic Corps. His mother was the sister of the Russian composer Alexander Scriabin. Molotov, Stalin’s comrade, was also a relative. Shortly before the First World War, the family returned to Russia, but soon left again for a diplomatic assignment in Persia. His vivid memories of Persian shepherds, “minute against the hostile backcloth of the vast Persian plain” while protecting their flocks, made him a convincing preacher on the parable of the Good Shepherd.

After the Russian Revolution, the family set out through Kurdistan and Iraq. When they sailed for Britain in a leaking ship, he hoped to be shipwrecked — he was reading Robinson Crusoe at the time. Instead, he was put ashore at Gibraltar where the family’s luggage was mislaid. Some fourteen years later it was returned with a bill for ?1.

In 1923, the family at last settled in Paris, adopted home to thousands of impoverished Russian refugees. Here his father became a laborer while his son went to a rough school. Andrei evinced an early suspicion of Roman Catholicism, which prompted him to turn down a place at an excellent school when the priest in charge hinted that he ought to convert.

After reading classics, he went on to study physics, chemistry and biology at the Sorbonne School of Science. In 1939 he was qualified as a physician.

Like so many of his contemporaries, he grew up with no belief in God and at times voiced fierce hostility to the Church. But when he was eleven, he was sent to a boys’ summer camp where he met a young priest. Impressed by the man’s unconditional love, he reckoned this as his first deep spiritual experience, though at the time it did nothing to shake his atheist convictions.

His opinions were undermined, however, a few years later by an experience of perfect happiness. This came to him when, after years of hardship and struggle, his family was settled under one roof for the first time since the Revolution. But it was aimless happiness, and he found it unbearable. He found himself driven to search for a meaning to life and decided that if his search indicated there was no meaning, he would commit suicide.

After several barren months, he reluctantly agreed to participate in a meeting of a Russian youth organization at which a priest had been invited to speak. He intended to pay no attention, but instead found himself listening with furious indignation to the priest’s vision of Christ and Christianity.

Returning home in a rage, he borrowed a Bible in order to check what the speaker had said. Unwilling to waste too much time on such an exercise, he decided to read the shortest Gospel, St. Mark’s. Here is his account of what happened:

While I was reading the beginning of St. Mark’s Gospel, before I reached the third chapter, I suddenly became aware that on the other side of my desk there was a presence. And the certainty was so strong that it was Christ standing there that it has never left me. This was the real turning-point. Because Christ was alive and I had been in his presence I could say with certainty that what the Gospel said about the crucifixion of the prophet of Galilee was true, and the centurion was right when he said, “Truly he is the Son of God.” It was in the light of the resurrection that I could read with certainty the story of the Gospel, knowing that everything was true in it because the impossible event of the resurrection was to me more certain than any other event of history. History I had to believe, the resurrection I knew for a fact. I did not discover, as you see, the Gospel beginning with its first message of the annunciation, and it did not unfold for me as a story which one can believe or disbelieve. It began as an event that left all problems of disbelief behind because it was a direct and personal experience.

During the Second World War, Metropolitan Anthony worked for much of the time as a surgeon in the French Army, but also, during the middle of the war, was a volunteer with the French resistance. In 1943, he was secretly tonsured as a monk, receiving the name Anthony. Since it was impractical for him to enter a monastery, the monk who was his spiritual father told to spend eight hours a day in prayer while continuing his medical work. When he asked about obedience, he was told to obey his mother. He continued to live a hidden monastic life after the war, when he became a general practitioner.

In 1948, when he was ordained priest, revealing then that he had been a monk for the previous five years. The following year he was invited to become Orthodox chaplain to the Fellowship of St. Alban and St. Sergius in England. The Fellowship had been founded in 1928 by a group of Russian Orthodox and Anglican Christians to enable them to meet each other and to work together for Christian unity. It was at St. Basil’s House in London, the Fellowship’s home in those years, that he began to meet Christians in Britain and to exert a growing influence in ever-widening circles. Shortly afterwards Father Vladimir Theokritoff, the priest of the Russian Orthodox Patriarchal Parish in London died suddenly. Father Anthony was the obvious choice to succeed him.

In 1953 he was appointed hegoumen, in 1956 archimandrite, then in 1962 archbishop of the newly created Diocese of Sourozh, encompassing Britain and Ireland. (The name Sourozh comes from the ancient name of a city in the Crimea.) In 1963 he was named acting Exarch of the Patriarch of Moscow and All Russia in Western Europe. By the time of his death, the Sourozh diocese had grown to twenty parishes.

Services in the London parish, which ultimately moved to the church which became All Saints Cathedral at Ennismore Gardens, not only met the spiritual needs of Russians living in or near London but attracted many people eager to experience Orthodox worship or seeking guidance in their own search for God. Many people who had no Russians in their family tree became Orthodox Christians thanks to his sermons, broadcasts and writings.

During the long years of Soviet rule, Metropolitan Anthony played an important part in keeping the faith alive in Russia through countless BBC World Service broadcasts. Perhaps still more important were the annual BBC broadcasts of the All-Night Paschal Vigil service at the London Cathedral. As Matins began, Metropolitan Anthony would emerge from behind the iconostasis to encourage the congregation, as they stood waiting in the dark, to speak up with their responses as this would be the only Paschal service that many in the Soviet Union would hear.

Beginning in the sixties, he was able to make occasional visits to Soviet Russia, where he not only preached in churches but spoke informally to hundreds of people who gathered in private apartments to meet him and engage in dialogue. Books based on his sermons were circulated in samizdat among Russian intellectuals until they could be openly published in the 1990s.

During the past decade, his declining health ruled out trips to Russia but he corresponded with many church members, stated his opinion on controversial issues of church life in letters to the Patriarch and the Councils of Bishops, and continued to preach his message of Christian love and freedom — not always welcome in the post-Communist Russian Church — through books and tapes.

One of the stories he sometimes told late in his life was about a letter he received from a monk in Russia who wrote there were “three great heretics” living in the west whose books were being read in Russia — Alexander Schmemann, John Meyendorff and Anthony Bloom. The letter writer asked the assistance of Metropolitan Anthony in finding out more about “this Anthony Bloom.”

For years Metropolitan Anthony was a familiar voice on British radio. The BBC had grave doubts when it was first proposed that he do English-language broadcasts. It was feared that the combination of his Russian-French accent and his refusal to use a script would lead to problems. But his transparent spiritual qualities and ability to speak fluently for a set number of minutes made him an instant success. At the height of his fame, Gerald Priestland, the renowned BBC religious correspondent, called him “the single most powerful Christian voice in the land.”

One of his most memorable broadcasts was a discussion with the atheist Marghanita Laski in which he said that her use of the word “belief” was misleading. “It gives an impression of something optional, which is within our power to choose or not … I know that God exists, and I’m puzzled to know how you can manage not to know.” (The transcript of their exchange is included in The Essence of Prayer.)

Outspoken on many issues, at times his plain speech landed him in hot water with the Moscow Patriarchate. In 1974 he was deprived of the position of Exarch for having written to The Times, in his name and that of the clergy and believers of the Sourozh Diocese, disowning criticism of Alexander Solzhenitsyn made by a senior hierarch in Moscow. Nevertheless, he remained head of his diocese. No attempt was made to prevent him continuing his visits to Russia.

His several books were widely read. Living Prayer, a best seller, has been translated into ten languages. It was later reprinted as a section of The Essence of Prayer.

In great demand as a speaker, Metropolitan Anthony spent much of his time preaching in non-Orthodox churches, leading retreats, giving talks and hearing confessions. He regularly spoke in hospitals, particularly about death, drawing on his experience as a cancer specialist. He received honorary doctorates from Cambridge and from the Moscow Theological Academy.

After the liberation of the Church in Russia, some priests and bishops proposed nominating him when elections for patriarch were held in 1990. But Metropolitan Anthony declined, citing his age. “If this had only happened ten years earlier, I might have agreed,” a relative quoted him as saying.

Earlier this year, Patriarch Alexy II, in an open letter, appointed Metropolitan Anthony to be in charge of a new Metropolia which, it was hoped, would embrace all Orthodox Christians of Russian tradition in Western Europe, and might eventually become the foundation for a Local Orthodox Church.

Citing age and poor health, Metropolitan Anthony had several times offered his resignation as head of the Sourozh Diocese but each time it was declined by the Moscow Patriarchate. Only five days before his death did the Holy Synod finally relieve him of his official duties, handing over to Bishop Basil (Osborne) of Sergievo the direction of the diocese.

Few bishops were more accessible to their flock, but this sometimes had comical results. When one parishioner rang to say that “Peter” had died and asked for prayers, Metropolitan Anthony immediately complied, then asked when the funeral would be. “Oh, there won’t be one,” he was told. “We flushed Peter down the loo.” Peter turned out to be a parakeet.

He was attentive to the person to whom he was listening, no matter who it was, to an astonishing degree. “In my life no one else had ever looked at me with such absolute attention,” people would often comment.

He loved going to children’s camps, allowing himself to be drilled and taking part in playlets, usually as a surgeon, dressed always in his monastic garb. “I always wear black when I operate,” he would say with a chuckle.

He would sometimes remark that he was quite prepared to be told he was a crackpot, but added, “Even if I am a crackpot, I’m a lot steadier and more normal than some people you might call normal. I’ve been a doctor and a priest without showing much sign of mental derangement.”

His faded and frayed black robe seemed nearly as old and worn as he was. Once, while visiting Russia, he was lectured by another monk who had no idea that this was the famous Metropolitan Anthony and was angry to see him awaiting their special guest from London in such tattered clothing. Metropolitan Anthony accepted the criticism meekly.

“He always seemed to me an actual witness of Christ’s resurrection,” said a regular participant in the annual Sourozh diocesan conference in Oxford, “not someone who believed it because he heard a report from a trustworthy source or read about it in a book, but someone who had seen the risen Christ with his own eyes. In meeting Metropolitan Anthony, I can understand why in the Church certain saints are given the title ‘Equal of the Apostles’.”

* * *

This text is drawn from various articles and obituaries published since the death of Metropolitan Anthony. Many of his sermons are posted on the web site of the Sourozh Diocese: www.sourozh.org.

* * *